Sluimerend verlangen

Meneer De Boer wil dood. Hij is er klaar mee. Misschien duurt het niet lang meer, denkt hij.

Alles doet pijn, de stoel is te hard voor zijn lichaam en het is koud. De verwarming gloeit. Mijke en ik zitten bij meneer De Boer. Ik houd zijn hand vast om hem op te warmen. Mijke wrijft over de zwelling in zijn zij. Het liefste zou hij een psychiater zien. Iemand met wie hij kan praten over hoe het verder moet. Hoe hij verder kan. Een andere arts zou ook fijn zijn. Het hoesten, de zwelling en de pijn die hij heeft, moeten worden onderzocht. Meneer is zelf medisch onderlegd en dit is niet oké. Dat geeft ook niet, want het is mooi geweest. Dit is geen leven meer.

Mijke zegt hem dat hij belangrijk voor haar is en ook voor zijn kinderen. Hij knikt, maar niet overtuigend. Ze vraagt hem of hij straks naar beneden wil komen om te eten. Zijn antwoord is resoluut: ‘Absoluut niet.’ Hij vertelt ons dat hij zich niet prettig voelt beneden. Dat mensen hem maar een rare man vinden die warrig is. Daar heeft niemand wat aan. Mijke probeert hem te overtuigen, maar hij blijft bij zijn standpunt. Dan eet hij maar niet, zegt hij. We stellen voor om het eten op zijn kamer te brengen. Eigenlijk vindt hij dat niet nodig, maar hij stemt toch in. Met het excuus dat we het eten gaan klaarmaken, vertrekken we uit de kamer van meneer De Boer. De deur laten we openstaan, zodat hij zeker weet dat we hem horen als hij moet hoesten.

Beneden gaat al snel een belletje. Het is meneer De Boer. Mijke vraagt me om naar hem toe te gaan. Hij heeft het zo ontzettend koud, zegt hij. Hij wil graag zijn bed in. In eten heeft hij toch geen zin. Ik ga naast hem zitten en praat met hem over de herfst, zijn werkzame leven en gevoelens. Hij herhaalt de boodschap dat hij er genoeg van heeft en bedankt me voor het luisteren. Maar ik voel me nutteloos. Wat moet ik doen? Is zijn wens structureel of een momentopname? Moet ik hem naar bed brengen of overtuigen dat hij nog even moet wachten voor de spruitjes die hij verafschuwt (‘Gadverdamme!! Ook dat nog!’) . Uiteindelijk vind ik een voor mijzelf acceptabele middenweg door hem in te pakken in een fleecedeken en over zijn rug te wrijven om hem op te warmen. Hij vindt het heel fijn en we blijven zo een tijd in stilte bij elkaar zitten. Dan zegt hij toch naar bed te willen. Omdat ik niet goed weet hoe ik hem in bed kan helpen (hij heeft speciale verzorging nodig), besluit ik om naar beneden te gaan en Mijke te halen. Ik vertel haar mijn bevindingen. Ze stelt voor om toch te wachten tot na het eten. Volgens haar wisselt zijn doodswens nog weleens. Tegelijkertijd zegt ze ook dat hij op is – het kaarsje gaat uit. Even weet ik niet wat ik moet doen, maar mijn aandacht wordt snel afgeleid door meneer Simons die zowel verbaal als non-verbaal aangeeft dat hij in de war is. Ik ga naar hem toe.

De versgekookte spruiten zijn opgeschept en samen met Roelinde zit ik aan de tafel met vier bewoners, onder wie meneer Simons. De afkeur over de spruiten is groot, maar we weten er een positieve draai aan te geven. Terwijl we daar mee bezig zijn, zie ik vanuit mijn ooghoek iemand de trap afkomen. Het is meneer de Boer met de fleecedeken om zich heen gewikkeld. Niet veel later zie ik hem teruglopen met Mijke de trap op. Waarom zou hij naar beneden zijn gekomen? Veel tijd is er echter niet om daarover na te denken. Overdonderd door de verhalen van zoveel andere bewoners verplaats ik me van beleving naar beleving. Mijn hoofd zit vol.

Maar het gesprek met meneer De Boer laat me niet meer los. Ik besluit om hem te bezoeken zodra de gelegenheid zich voordoet. Die gelegenheid is er twee weken later.

Opnieuw stap ik met Mijke de kamer van meneer De Boer binnen. Het lijkt of de tijd heeft stil gestaan. Ineengedoken, koud en verdrietig kijkt hij ons aan. Ik pak de fleecedeken en wrijf hem warm, terwijl Mijke met hem praat. Hij is blij haar te zien, ondanks dat hij zegt er nog steeds genoeg van te hebben. Maar al pratende lijken de pretlichtjes in zijn ogen soms even aan te gaan. Om zijn lippen speelt een nauwelijks waarneembare glimlach bij het aanbod van chocolademelk met slagroom.

Niet veel later zit meneer De Boer onder de fleecedeken te nippen aan de warme drank. Hij maakt grapjes, maar wisselt een lach en een traan zonder veel moeite af. Mijn hoofd maakt overuren. Hoe moet ik de doodswens, het er genoeg van hebben en er klaar mee zijn, interpreteren? Wil meneer De Boer echt dood, of is hij ongelukkig in een bepaalde situatie die we misschien wel kunnen veranderen? Is de chocolademelk een tijdelijke afleiding van het verlangen naar de dood, of welt het verlangen naar de dood tijdelijk op als hij zich bijzonder slecht voelt? Durven we wel een antwoord te geven op deze vraag, of helpt de afleiding ons ook de dag door? Onbewust schud ik mijn hoofd. Ik schrik bijna van de hand van meneer De Boer op mijn been. In stilte vervolgen we ons gesprek…

Cassandra.vandenberg@tao-of-care.nl, tel. 06-23268853

Na haar studie Beleid en Management Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit heeft drs. Cassandra van den Berg zich breed ontwikkeld in de gezondheidszorg. Altijd vanuit eenzelfde doel: het verbeteren van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Ze werkte bij zorgverzekeraars, het ministerie van VWS en binnen zorgorganisaties. Hierdoor kan zij goed de vertaalslag maken van (landelijk) beleid naar de praktijk en vice versa, wat zij nu doet vanuit de Tao of Care.

Voor informatie over Wonen bij September kunt u terecht bij Michiel van Putten: michiel@wonenbijseptember.nl

 

Geen reacties op "Sluimerend verlangen"

    Plaats een reactie

    Het e-mail adres wordt niet gepubliceerd