‘We zwaaien naar elkaar tot ik uit beeld ben’

Sinds het najaar van 2016 gaan onze Kammeraten naar verschillende mensen die thuiswonen met dementie, om samen wat (extra) kleur te geven aan de dagen. Maar ook als iemand niet langer thuis kan blijven wonen, kan een waardevol contact tussen Kammeraat en de cliënt blijven voortbestaan. Omwille van de privacy zijn de namen van de betrokken Kammeraat en zijn cliënt niet genoemd in onderstaande blog.

Voordat hij werd opgenomen woonde hij alleen. Een aantal sociale contacten kwam bij hem langs en ondersteunden hem bij de dagelijkse werkzaamheden. Om de tijd op te vullen en een oogje in het zeil te houden werd ik als Kammeraat ingezet. Nu kom ik elke dinsdag langs. Inmiddels is dit niet meer in het huis waar hij de afgelopen jaren heeft gewoond, maar in het woonzorgcentrum waar hij inmiddels is opgenomen.

Die ene keer dat hij de deur niet opendeed. Ik stond daar en belde aan. Geen reactie. Nog een keer aanbellen, weer geen reactie. Er kwam veel verkeer langs, en pratende mensen. Ik dacht iets te horen, maar begon aan mezelf te twijfelen en dacht: ‘Misschien is de familie vergeten dat ik vandaag langs zou komen.’ Het was immers kerstvakantie.

Het was koud buiten. Nadat ik twee keer had aangebeld ging de deur nog steeds niet open, om warm te blijven ging ik in de auto zitten om te bellen. Eerst de mantelzorger, daarna mijn senior Kammeraat. Ik heb bij de buren aangeklopt en ik ben langs het huis van de mantelzorger gereden. Niemand thuis. Daarna heb ik mijn teamleider gebeld, vervolgens de TINZ-medewerker die ook van hem op de hoogte was. Zij adviseerde om de thuiszorg te bellen. Dit heb ik gedaan. Zij zouden over een uur gaan kijken, maar gelukkig belde in ditzelfde gesprek de mantelzorger terug.

Inmiddels zijn we drie kwartier verder en komt de mantelzorger aanfietsen, zichzelf moed insprekend dat er waarschijnlijk niets aan de hand zal zijn. Ik loop achter haar aan de woning binnen en we kijken in de woonkamer. Daar is hij niet. We lopen door naar de keuken en daar ligt hij. In de kleine keuken ligt hij languit op de grond. De mantelzorger knielt bij hem neer. Hij geeft antwoord en is gelukkig bij bewustzijn. Hij geeft aan dat hij op de deur heeft geklopt toen hij de bel hoorde. Dus toch niet verkeerd gedacht…

Ik bel de huisarts die er, voor mijn gevoel, heel lang overdoet. In werkelijkheid zullen dit maar een paar minuten zijn geweest. Na wat testjes wordt de ambulance gebeld en wordt hij meegenomen naar het ziekenhuis. Na een paar dagen in het ziekenhuis wordt er besloten dat het niet meer veilig is om alleen thuis te blijven wonen.

Negen dagen na de val wordt hij opgenomen in het Woonzorgcentrum waar hij nu met veel plezier zit. Alles wordt voor hem gedaan en er is continu zorg aanwezig. Ik ga nog steeds bij hem langs. Herkenning is er niet meer en de gesprekken gaan over vroeger, maar hij lijkt blij wanneer ik langskom. We ondernemen activiteiten, we gaan wandelen of met de andere bewoners sjoelen.

Het mooiste moment vind ik als hij naar mij gaat zwaaien op het moment dat ik vertrek. Ik zie alleen zijn hand voor het raam en zwaai terug totdat ik uit het zicht ben.

Geen reacties op "'We zwaaien naar elkaar tot ik uit beeld ben'"

    Plaats een reactie

    Het e-mail adres wordt niet gepubliceerd