Wederkerigheid

Twintig jaar lang zorgde Els Naaktgeboren voor haar moeder Stientje, iets wat ze graag deed. ‘Ze was ook gewoon een hele vrolijke, gezellige dame met alzheimer, die heel veel Amsterdamse humor had.’

Na een ooroperatie krijgt Stientje duizelingen. Ze kan niet meer zelfstandig naar buiten, en wordt afhankelijk van de zorg van Els. In de jaren die volgen, merkt Els dat haar moeder dingen begint te herhalen en vergeten. Dat houdt haar verder niet zo bezig, want haar moeder wordt nu eenmaal oud. De zorg wordt wel steeds zwaarder, want Stientje wil geen hulp in huis halen. Els bezoekt haar moeder elke dag. Haar twee broers wonen elders in het land en komen minder vaak.

Verhuizen
Wanneer Els merkt dat haar moeder eenzaam is, zoekt ze een verzorgingstehuis in Oostzaan. Daar heeft ze een eigen appartement, maar ze gaat er ook vaak naar de dagbesteding. Of naar de biljartzaal, de mannen instrueren hoe ze de keu moeten richten. Soms loopt ze met haar wandelstok te zwaaien, maar over het algemeen heeft Stientje het prima naar haar zin.

Dan gaat het tehuis renoveren. Stientje kan daarna niet terugkeren, ze is er te slecht aan toe. De stap naar een verpleeghuis volgt. Els is tevreden over de verzorging in het huis, maar haar moeder raakt steeds vaker de weg kwijt. Ze kan de wc niet vinden, loopt ’s nachts over de gangen, kruipt bij andere bewoners in bed. De verwarring is helemaal groot wanneer ze na een val een heupoperatie krijgt. In het ziekenhuis gilt ze de boel bij elkaar: ze is bang.

Bij terugkomst in het verpleeghuis gaat Stientje hard achteruit. Ze drinkt weinig, en komt vrijwel niet meer uit bed. Eigenlijk is ze stervende, maar telkens als haar hart ermee stopt, geeft haar pacemaker een nieuwe stoot. Dan loopt ze rood aan, en ligt ze te schokken. Els gaat in gesprek met de cardioloog en met de verpleeghuisarts: kan die pacemaker niet worden uitgezet? Nee, is het antwoord, dat is euthanasie, dat kan niet zomaar. Bovendien is het niet met zekerheid te zeggen dat het aan de pacemaker ligt. Uiteindelijk overlijdt Stientje ondanks haar pacemaker.

Wat nog wel kan
Els, van oorsprong regressietherapeut, heeft zich altijd op verschillende manieren ingezet als vrijwilliger. Bij de kindertelefoon leert ze goed luisteren, ook naar dat wat niet gezegd wordt. Dat komt later van pas in de omgang met haar moeder. Tijdens het opmaken en verwennen van ouderen in verzorgings- en verpleeghuizen leert ze deze groep op een positieve manier te benaderen. Wat kan nog wel, in plaats van wat kan niet meer? En wat kunnen deze mensen nog voor jou betekenen? Die laatste vraag leert ze later eveneens toepassen op de situatie van haar moeder. Waar Stientje namelijk het meest van geniet, is het masseren van haar dochters handen en voeten.

‘Als mantelzorgers zeggen we al snel: “O nee, dat hoeft niet, dat kan ik zelf wel.” Niemand staat erbij stil dat het een enorm cadeau is als jij iets toelaat. Als je de tijd neemt om dat te laten gebeuren.’

Door haar dochter Els te masseren kan Stientje eindelijk weer iets geven, in plaats van steeds maar te moeten nemen.

‘Hoe heerlijk is het niet om je kind blij te maken, ook al ben je zestig? Zeker als woorden het niet meer kunnen uitdrukken, is dat een mooi, intiem moment samen.’

Gedurende de twintig jaar waarin Els voor haar moeder zorgt, wordt haar moeder steeds afhankelijker. Wanneer Els iets voor zichzelf wil doen, gaat dat eigenlijk niet. Haar moeder eist dan de aandacht op. Op die momenten kan er ruzie ontstaan. Maar juist door die boosheid soms toe te laten, blijft Els haar moeder gelijkwaardig behandelen.

Tante Stien
Daarnaast doen praktische oplossingen veel goed. Op verjaardagen kan Stientje de sfeer flink verpesten, eigenlijk omdat er nog maar weinig mensen een praatje met haar maken. Els maakt daarom een schema: met elk familielid spreekt ze af van hoe laat tot hoe laat zij naast oma op de bank komen zitten. Zo krijgt Stientje voldoende aandacht, en hoeft Els haar niet voortdurend in het oog te houden.

In de huizen waar haar moeder woont, loopt Els soms tegen de protocollen aan. Zo verzoekt Stientje het personeel haar bij haar voornaam te noemen. Els heeft dat ook geleerd tijdens een training die ze vanuit haar vrijwilligerswerk volgde: wanneer je partner overlijdt, en broers en zussen te oud zijn om nog langs te komen, noemt niemand je ooit nog bij je voornaam. Dat is vreemd, en nog vreemder als je dementie hebt.

‘Mijn moeder ging terug naar haar kindertijd, waarom wordt zij dan aangesproken met de naam van haar overleden echtgenoot?’

Het personeel heeft er echter moeite mee, want het zou niet respectvol klinken om een volwassen vrouw bij haar meisjesnaam te noemen. Na een vergadering is de concessie daar: mevrouw Naaktgeboren wordt tante Stien. Voor Els zit het respect in de manier van benaderen: met mensen met dementie mag je best lachen, als je ze maar niet uitlacht. En wanneer ze je vragen ze bij hun voornaam te noemen, getuigt het dan niet juist van respect om daar gehoor aan te geven?

Geen reacties op "Wederkerigheid"

    Plaats een reactie

    Het e-mail adres wordt niet gepubliceerd